huwelijk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hu·we·lijk
Woordherkomst en -opbouw
- Samenstelling van de stam van huwen en het verouderde lijck (dans, spel)
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | huwelijk | huwelijken |
| verkleinwoord | huwelijkje | huwelijkjes |
Zelfstandig naamwoord
huwelijk o
- ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
- Die bruid en bruidegom traden in het huwelijk.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- huwelijksaanzoek, huwelijksakte, huwelijksbootje, huwelijksfeest, huwelijksperikelen, huwelijksplechtigheid, huwelijksprobleem, huwelijksreis, huwelijksverjaardag
Verwante begrippen
Vertalingen
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen.