vader

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • va·der
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: vader
Oudnederlands: fadar
Germaans: *fadēr
Indo-Europees: *ph₂tḗr
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: father (Angelsaksisch: fæder), Duits: Vater, (Oudhoogduits: fater), Fries: fader, faar (Oudfries: feder, fader)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: far, fader, (Oudnoors: faðir), IJslands/Faeröers: faðir
Oost: Gotisch: fadar
enkelvoud meervoud
naamwoord vader vaders
verkleinwoord vadertje vadertjes

Zelfstandig naamwoord

vader m

  1. (familie) een mannelijke ouder
  2. een man binnen een gemeenschap wiens toewijding allen binnen die gemeenschap dient
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /vaːðɐ(r)/

Zelfstandig naamwoord

vader m

  1. (familie) vader.
  2. beschermer
  3. God
Verbuiging
Synoniemen


Noors

Woordafbreking
  • va·der
Naar frequentie 11194

Zelfstandig naamwoord

vader, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van vad
Schrijfwijzen


Nynorsk

Woordafbreking
  • va·der

Zelfstandig naamwoord

vader, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van vad (betekenis [A]: hengelsnoer, vissnoer, sleepnet)
Schrijfwijzen
  • vad, mv (betekenis [A]: hengelsnoer, vissnoer, sleepnet)