werkzaamheid
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- werk·zaam·heid
Woordherkomst en -opbouw
| 1,2,3 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | werkzaamheid | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
werkzaamheid v
- vlijt, ijver.
- Wat een werkzaamheid heeft die jongen toch...
- (uit)werking.
- De werkzaamheid van dit medicijn is wetenschappelijk en dubbelblind getest.
- het werkzaam zijn.
- De werkzaamheid van die machine is erg goed.
- (wel meervoud) werk.
- Er werden veel werkzaamheden langs de weg uitgevoerd.
| 4. | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | werkzaamheid | werkzaamheden |
| verkleinwoord | - | - |