appel

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken
1. verschillende soorten appels

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)
1. vrucht

3. bijeenroeping

  • IPA: /ɑ'pɛl/

Woordherkomst en -opbouw

1. vrucht

  • Uit proto-Germaans. *ap(a)laz (vgl. Eng. «apple», Dui.. «Apfel»), dit uit proto-Indoeuropese stam *abl-, vgl Rus. «яблоко».

3. bijeenroeping

1,2 àppel enkelvoud meervoud
naamwoord appel appels, appelen
verkleinwoord appeltje appeltjes
3,4,5 appèl enkelvoud meervoud
naamwoord appel appels
verkleinwoord

Lettergrepen

1. vrucht, 2. appelboom

  • ap·pel

3. bijeenroeping, 4. verzoek. 5 gehoorzaamheid van een vogel

  • ap·pel

Zelfstandig naamwoord

1.,2. de àppel m, 3.,4.,5. het appèl o

  1. ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom.
    snoep gezond, eet een appel
  2. appelboom
  3. tijdstip waarop alle leden van een groep bijeengeroepen worden om hun aanwezigheid te bewijzen
    's morgens om zes uur moesten alle soldaten op appel verschijnen
  4. het doen van een beroep op iemands gevoel van eer of rechtvaarigheid
    hij richtte een appel aan de gouverneur om de executie uit te stellen
  5. (valkerij): de reactie of gehoorzaamheid van de vogel

Schrijfwijzen

3. bijeenroeping

  • Tot 2005 was de spelling appèl, sindsdien wordt het woord zonder accentteken geschreven. Echter ter verduidelijking is het toevoegen van accenttekens in het Nederlands altijd toegestaan.

Vertalingen

Synoniemen

3. bijeenroeping

4. verzoek

Afgeleide begrippen

1. vrucht

Spreekwoorden

Meer informatie


Afrikaans

Bijvoeglijk naamwoord

appel - appel


Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen