appel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈɑ.pəɫ/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈɑ.pəl/
- áppel:
- appél:
- Geluid: appél (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ɑ.ˈpɛɫ/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ɑ.ˈpɛl/
Woordherkomst en -opbouw
|
|
|
|
Het Middelnederlands kende de vorm appeel (ontleend aan het Oudfrans), die bewaard is als verkleinwoord: appeelken. De moderne vorm is een hernieuwde ontlening aan het moderne Frans. |
Woordafbreking
- ap·pel
| áppel | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | appel | appels, appelen |
| verkleinwoord | appeltje | appeltjes |
Zelfstandig naamwoord
áppel m
- (fruit) Malus
ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom.
- Snoep gezond, eet een appel!
- (plantkunde) Malus
boom die deze vruchten draagt, appelboom.
- Ik heb veel appelen staan in mijn tuin.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- een appeltje voor de dorst
- iets extra's dat men achter de hand houdt voor minder goede tijden
- appels met peren/citroenen vergelijken
- onvergelijkbare zaken met elkaar vergelijken
- iemand appelen voor citroenen verkopen
- iemand afzetten, in het zak zetten
- voor een appel en een ei
- spotgoedkoop
- gouden appels op zilveren schalen
- een kostbare inhoud in een kostbare verpakking
- door de zure appel bijten
- het onaangename trotseren
- met iemand een appeltje te schillen hebben
- met iemand nog iets onaangenaams af te rekenen hebben
- Daar komt een schip met zure appels [de haven binnen].
- Daar komt een storm aan
- Dat zijn appels op gouden benen.
- Dat is heel zeldzaam.
Spreekwoorden
- De appel valt niet ver van de boom.
- Kinderen lijken over het algemeen op hun ouders.
- Wie appelen vaart, die appelen eet.
- Als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken.
- Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van.
- Een rotte appel in de mand maakt ook het gave fruit te schand.
- Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.
Vertalingen
1. vrucht
| appél | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | appel | appels |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
appél o
- tijdstip waarop alle leden van een groep bijeengeroepen worden om hun aanwezigheid te bewijzen.
- 's Morgens om zes uur moesten alle soldaten op appel verschijnen.
- het doen van een beroep op iemands gevoel van eer of rechtvaarigheid.
- De appellant richtte een appel aan de gouverneur om de executie uit te stellen.
- (valkerij): de reactie of gehoorzaamheid van de vogel.
Synoniemen
- 1. bijeenroeping
- 2. oproep, smeekbede, verzoek
Schrijfwijzen
- Tot 2006 was de spelling van appel met eindklemtoon appèl. Sindsdien wordt het woord zonder accentteken geschreven. Echter ter verduidelijking is het toevoegen van een accent aigu (een zogenaamd "klemtoonteken") in het Nederlands altijd toegestaan.
Meer informatie
- Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
Uitspraak
- IPA: /ˈɑpəɫ/
Zelfstandig naamwoord
appel
Limburgs
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Etsbergs): /ɑpɐɫ/, /ɑpɐl/
- (Montforts): /ɑpəl/, /ɑpl̩/
- (Rothenbachs): /ɑʰpɫ̩/
Zelfstandig naamwoord
appel m
- (Hooglimburgs), (fruit) appel (vrucht).
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| geheel | gemuteerd | verkleind | gemuteerd verkleind | geheel | gemuteerd | verkleind | gemuteerd verkleind | |
| nominatief | appel | - | eppelke | - | eppel | - | eppelkes | - |
| genitief | appels | - | eppelkes | - | eppel | - | eppelkes | - |
| locatief | appeles | - | appeleske | - | appelese | - | appeleskes | - |
| datief | appele | - | eppelke | - | eppel | - | eppelkes | - |
| accusatief | appel | - | eppelke | - | eppel | - | eppelkes | - |
Ripuarisch
Uitspraak
- IPA: /ɒpəɫ/
Zelfstandig naamwoord
appel m
Schrijfwijzen
- (Duitsland) Appel
Papiamento
Woordherkomst en -opbouw
- Van het Nederlandse appel.
| enkelvoud of impliciet meervoud |
expliciet meervoud |
|---|---|
| appel | appelnan |
Zelfstandig naamwoord
appel
Synoniemen
- (enkel op Aruba) aplo
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Klemtoonhomogram in het Nederlands
- Erfwoord in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Fruit in het Nederlands
- Plantkunde in het Nederlands
- Valkerij in het Nederlands
- Woorden in het Afrikaans
- Zelfstandig naamwoord in het Afrikaans
- Fruit in het Afrikaans
- Woorden in het Limburgs
- Zelfstandig naamwoord in het Limburgs
- Hooglimburgs
- Fruit in het Limburgs
- Woorden in het Ripuarisch
- Zelfstandig naamwoord in het Ripuarisch
- Fruit in het Ripuarisch
- Woorden in het Papiamento
- Zelfstandig naamwoord in het Papiamento
- Fruit in het Papiamento