roepen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • roe·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
roepen
/'ru.pə(n)/
riep
/rip/
geroepen
/ɣə.'ru.pə(n)/
klasse 7 volledig

Werkwoord

roepen

  1. (overgankelijk) met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
    "Weg met de dictator!" werd er geroepen door de demonstranten.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • op het matje roepen
iemand ter verantwoording bij zich roepen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

roepen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord roep