duw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • duw
enkelvoud meervoud
naamwoord duw duwen
verkleinwoord duwtje duwtjes

Zelfstandig naamwoord

duw m

  1. een zet, een stoot
    • Hij gaf de auto een harde duw, zodat die weer op de weg kwam. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iemand een duw geven
iemand duwen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
duwen

duw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van duwen
    • Ik duw. 
  2. gebiedende wijs van duwen
    • Duw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van duwen
    • Duw je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.