beweging

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·we·ging
Woordherkomst en -opbouw
  • Naamwoord van handeling van bewegen met het achtervoegsel -ing.
enkelvoud meervoud
naamwoord beweging bewegingen
verkleinwoord beweginkje beweginkjes

Zelfstandig naamwoord

beweging v

  1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
    • Na de tussenstop kwam de trein weer in beweging. 
  2. van plaats/positie veranderen
    • De beweging van voorwerpen wordt beschreven door de wetten van Newton. 
  3. een organisatie
    • Hij had zich aangesloten bij een politieke beweging. 
  4. uit eigen beweging: zonder aansporing of druk van anderen
    • De student had alle opgaven uit eigen beweging gemaakt. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

beweging

  1. beweging