coup

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

coup Chili 1973 verorvering presidentiële paleis
Uitspraak
Woordafbreking
  • coup
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘staatsgreep’ voor het eerst aangetroffen in 1961 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord coup coups
verkleinwoord coupje coupjes

Zelfstandig naamwoord

coup m

  1. (politiek) een illegale (poging tot) afzetting van een regering en de vervanging ervan door een nieuw bewind
    • De coup schokte de wereld, maar liep op een mislukking uit. 
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
coupen

coup

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van coupen
    • Ik coup. 
  2. gebiedende wijs van coupen
    • Coup! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van coupen
    • Coup je? 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
84 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
coup coups

Zelfstandig naamwoord

coup

  1. staatsgreep
    «A military coup made an end to his administration.»
    Een militaire staatsgreep maakte een eind aan zijn regering.


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  coup     le coup     coups     les coups  

Zelfstandig naamwoord

coup m

  1. dreun, klap, slag