coup

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

coup Chili 1973 verorvering presidentiële paleis
Uitspraak
Woordafbreking
  • coup
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘staatsgreep’ voor het eerst aangetroffen in 1961 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord coup coups
verkleinwoord coupje coupjes

Zelfstandig naamwoord

coup m

  1. (politiek) een illegale (poging tot) afzetting van een regering en de vervanging ervan door een nieuw bewind
    • De coup schokte de wereld, maar liep op een mislukking uit. 
  2. machtsovername
     Zij had namelijk alle tijd gehad om deze coup voor te bereiden.[3]
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
coupen

coup

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van coupen
    • Ik coup. 
  2. gebiedende wijs van coupen
    • Coup! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van coupen
    • Coup je? 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
coup coups

Zelfstandig naamwoord

coup

  1. staatsgreep
    «A military coup made an end to his administration.»
    Een militaire staatsgreep maakte een eind aan zijn regering.


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontwikkeld uit Oudfrans colp, uit Laat-Latijn colpus (uit literair Latijn colaphus “vuistslag”).

Zelfstandig naamwoord

coup m

  1. dreun, klap, slag
Uitdrukkingen en gezegden
  • Ce chagrin porta un coup à sa santé.
Dit verdriet eiste zijn tol op zijn gezondheid.
  • Tirer des coups de canon, de fusil.
Kanonnen afvuren, geweren.
  • Coup de fortune, coup de bonheur, coup de malheur, coup de hasard.
Toevalstreffer, gelukstreffer, tegenslag, stom toeval
  • Un coup du ciel.
Als een donderslag bij heldere hemel.
  • Du coup, ça craint.
Kortom, het is klote.
  • Donnez un coup de balai à cette chambre.
Geef deze kamer een veegbeurt.
  • Un coup de vent
Een windvlaag
  • Il a réussi du premier coup.
Het was de eerste keer raak.
  • C’est un coup de génie, un coup de désespoir.
Het is een geniale zet, een wanhoopsdaad.
  • Il a tiré son coup.
Hij heeft zijn schot gelost (i.e. hij is klaargekomen.)