overzet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·zet
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overzet overzetten
verkleinwoord overzetje overzetjes

Zelfstandig naamwoord

overzet m [1] [2]

  1. (scheepvaart) plaats waar men over het water kan worden gezet
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
overzetten

overzet

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overzetten
    • ... dat ik overzet. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overzetten
    • ... dat jij overzet. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overzetten
    • ... dat hij overzet. 

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen