zeiken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zei·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Middelnederlandse seiken, verdere etymologie onduidelijk; wel zijn er verwante woorden in diverse Indo-Europese talen.[1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zeiken
zeikte
gezeikt
zwak -t volledig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zeiken
zeek[2]
gezeken[2]
klasse 1 volledig

Werkwoord

zeiken [3]

  1. (informeel) veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
    • Zit toch niet zo te zeiken! 
  2. inergatief (dysfemisme) urineren
    • Die rotkater heeft weer op die plek gezeken. 
  3. (onpersoonlijk), (informeel) stortregenen
    • Het zeikt buiten. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. 2,0 2,1 Oorspronkelijk werd zeiken alleen zwak vervoegd. De sterke vervoegingen zijn gevormd naar analogie met Klasse 1 en behoren vooral tot de spreektaal.
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).