zaniken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·ni·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zaniken
zanikte
gezanikt
zwak -t volledig

Werkwoord

zaniken

  1. hinderlijk ergens over blijven klagen
    Hij zanikte de hele dag over dat krasje op zijn auto.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zaniken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zanik