pissen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pis·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pissen
piste
gepist
zwak -t volledig

Werkwoord

pissen

  1. (inergatief), (informeel) vloeibare afvalstoffen lozen via de urinebuis
    Hij moest heel nodig pissen.
Synoniemen
Vertalingen