zeek
Uiterlijk
- zeek
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zeek | - |
| verkleinwoord | - | - |
- vloeibare ontlasting
- De zeek of pis van menschen en dieren heeft, zoo als men weet, eene zeer groote aengelegenheid in de landelyke opbrengst.[3]
- (informeel) het zeewater
- En nu hebben wij zelf twee garnalenboten die altijd stuk zijn en wordt de zeek leeggevist door Guyanezen.[4]
| vervoeging van |
|---|
| zeiken |
zeek
- enkelvoud verleden tijd van zeiken
- Ik zeek.
- Jij zeek.
- Hij, zij, het zeek.
- Ik zeek.
| vervoeging van |
|---|
| zeiken |
zeek
- onpersoonlijke verleden tijd van zeiken
- Het woord zeek staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "zeek" herkend door:
| 24 % | van de Nederlanders; |
| 21 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ blz 184 Beknopte verhandeling over de landbouw-werktuigen
Max. le Docte
Brussel 1852 - ↑ De zwevende keizer:Paul Woei 11 maart 2010
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be