Naar inhoud springen

zeek

Uit WikiWoordenboek
  • zeek
enkelvoud meervoud
naamwoord zeek -
verkleinwoord - -

dezeekm [1] [2]

  1. vloeibare ontlasting
    • De zeek of pis van menschen en dieren heeft, zoo als men weet, eene zeer groote aengelegenheid in de landelyke opbrengst.[3] 
  2. (informeel) het zeewater
    • En nu hebben wij zelf twee garnalenboten die altijd stuk zijn en wordt de zeek leeggevist door Guyanezen.[4]  
vervoeging van
zeiken

zeek

  1. enkelvoud verleden tijd van zeiken
    • Ik zeek. 
    • Jij zeek. 
    • Hij, zij, het zeek. 
vervoeging van
zeiken

zeek

  1. onpersoonlijke verleden tijd van zeiken
24 %van de Nederlanders;
21 %van de Vlamingen.[5]