Naar inhoud springen

zagen

Uit WikiWoordenboek
  • za·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zagen
zaagde
gezaagd
zwak -d volledig

zagen

  1. overgankelijk in stukken delen door middel van een zaag
    • Ik moet nog wat hout zagen. 
  2. inergatief op vervelende wijze spreken, zeuren
    • Klagen en zagen, het is voor hem dagelijkse kost. 
vervoeging van
zien

zagen

  1. meervoud verleden tijd van zien
    • Wij zagen. 
    • Jullie zagen. 
    • Zij zagen. 
    • Wij zagen hem nog vertrekken. 
     Wat moesten wij, jongeren, doen wanneer we de bodem van die schooltassen bereikten en zagen dat er niets te vinden was behalve een stiksel, losgeraakt onder het gewicht van onze schoolboeken? We moesten weg.[1]
     Goldie en Barbie zagen het als één groot avontuur, maar ik liep in het begin wat onwennig achter ze aan.[2]

dezagenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zaag
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be