zagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zagen
zaagde
gezaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

zagen

  1. overgankelijk in stukken delen door middel van een zaag
    • Ik moet nog wat hout zagen. 
  2. inergatief op vervelende wijze spreken, zeuren
    • Klagen en zagen, het is voor hem dagelijkse kost. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zien

zagen

  1. meervoud verleden tijd van zien
    • Wij zagen. 
    • Jullie zagen. 
    • Zij zagen. 
    • Wij zagen hem nog vertrekken. 
     Goldie en Barbie zagen het als één groot avontuur, maar ik liep in het begin wat onwennig achter ze aan.[1]

Zelfstandig naamwoord

zagen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zaag

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be