vork

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[2] Een vork.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vork
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘getand werktuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord vork vorken
verkleinwoord vorkje vorkjes

Zelfstandig naamwoord

vork v/m

  1. aftakking van een boomtak of van een weg
  2. (gereedschap) (huishouden) voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
    • Hij at zijn frietjes met een vork. 
  3. (gereedschap) bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
  4. (werktuigbouwkunde) fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
  5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Te veel hooi op de vork nemen
meer willen doen dan je aankan, te veel werk op zich nemen, de hoeveelheid werk niet aankunnen
  • Weten hoe de vork in de steel zit
precies weten wat er gebeurd is
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen