couvert

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

couvert
Uitspraak
Woordafbreking
  • cou·vert
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘briefomslag’ voor het eerst aangetroffen in 1656 [1]
  • [2]
1 enkelvoud meervoud
naamwoord couvert couverts
verkleinwoord couvertje couvertjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord couvert couverten
verkleinwoord couvertje couvertjes

Zelfstandig naamwoord

couvert o

  1. eetgerei (bestek, tafelgerei) voor één persoon
  2. briefomslag, enveloppe
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

  enkelvoud meervoud
  mannelijk   couvert couverts
  vrouwelijk   couverte couvertes

Bijvoeglijk naamwoord

couvert

  1. bewolkt