lepel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een lepel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·pel
Woordherkomst en -opbouw
  1. uit het Middelnederlands lepel, afgeleid van leppen (slurpen) met het achtervoegsel -el, van de Germaanse wortel *lap- [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord lepel lepels
verkleinwoord lepeltje lepeltjes

Zelfstandig naamwoord

lepel m (palindroom)

  1. (huishouden) (eetgerei) een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
  2. een hoeveelheid die overeenkomt met de inhoud van een thee-, dessert- of eetlepel (resp. 5, 10 en 15 ml)
  3. een oor van een konijn of van een haas
  4. (paardensport) onderdeel van een hoofdstel bij tuigpaarden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
lepelen

lepel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lepelen
    • Ik lepel. 
  2. gebiedende wijs van lepelen
    • Lepel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lepelen
    • Lepel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen