vorken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vor·ken

Zelfstandig naamwoord

vorken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vork

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.


Achterhoeks

Zelfstandig naamwoord

vorken

  1. meervoud van vorke


Drents

Zelfstandig naamwoord

vorken

  1. meervoud van vorke


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

vorken

  1. meervoud van vorke