villa

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een villa.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vil·la
enkelvoud meervoud
naamwoord villa villa's
verkleinwoord villaatje villaatjes

Zelfstandig naamwoord

villa v/m

  1. (bouwkunde) een groot en vrijstaand huis
    Hij woont in die grote villa daar.
Vertalingen

Meer informatie


Hongaars

Uitspraak
  • IPA: /ˈvilːɒ/

Zelfstandig naamwoord

villa

  1. vork


Latijn

Uitspraak
  • IPA: /ˈwiːla/

Zelfstandig naamwoord

vīlla v

  1. (bouwkunde) villa, landgoed, landhuis
    «Imperator mercatorem rogat villamne vendat.»
    De opperbevelhebber vraagt de koopman of hij de villa verkoopt.
Verbuiging



Turks

Woordafbreking
  • vil·la
enkelvoud meervoud
nominatief   villa     villalar  
genitief   villanın     villaların  
datief   villaya     villalara  
accusatief   villayı     villaları  
locatief   villada     villalarda  
ablatief   villadan     villalardan  

Zelfstandig naamwoord

villa

  1. (bouwkunde) villa