villa

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een villa.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vil·la
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘landhuis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord villa villa's
verkleinwoord villaatje villaatjes

Zelfstandig naamwoord

villa v/m

  1. (bouwkunde) een groot en vrijstaand huis
    • Hij woont in die grote villa daar. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen


Hongaars

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

villa

  1. (gereedschap) vork

Meer informatie


Latijn

Uitspraak
  • IPA: /ˈwiːla/

Zelfstandig naamwoord

vīlla v

  1. (bouwkunde) villa, landgoed, landhuis
    «Imperator mercatorem rogat villamne vendat.»
    De opperbevelhebber vraagt de koopman of hij de villa verkoopt.
Verbuiging


Turks

Uitspraak
Woordafbreking
  • vil·la
enkelvoud meervoud
nominatief   villa     villalar  
genitief   villanın     villaların  
datief   villaya     villalara  
accusatief   villayı     villaları  
locatief   villada     villalarda  
ablatief   villadan     villalardan  

Zelfstandig naamwoord

villa

  1. (bouwkunde) villa



Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • villa
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   villa     villan     villor     villorna  
genitief   villas     villans     villors     villaornas  

Zelfstandig naamwoord

villa

  1. (bouwkunde) villa
    «De bor i en villa som utstrålar trivsel och trygghet.»
    Ze wonen in een villa die comfort en veiligheid uitstraalt.
  2. fout, misleiding, misvatting, vergissing
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen