vent

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vent
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kerel’ voor het eerst aangetroffen in 1437 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord vent venten
verkleinwoord ventje ventjes

Zelfstandig naamwoord

vent m

  1. een kerel, een man (wordt zowel positieve als in negatieve zin gebruikt)
    • Een toffe gozer, een jofele vent. 
    • Nee, die man van mij, dat is een eitje, een vent van niks! 
  2. (regionaal in Vlaanderen) gecastreerde ezel
    • Maar ze vergeten ondertussen wel dat “vent” oorspronkelijk “gecastreerde ezel” betekent. [4]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
venten

vent

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van venten
  2. gebiedende wijs van venten
    • Nee, ik vent niet meer, ik sta nu op de markt, minder gesjouw weet je ... 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • vent
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  vent     le vent     vents     les vents  

Zelfstandig naamwoord

vent m

  1. (meteorologie) wind
    «D'où vient le vent
    Uit welke hoek waait de wind?
  2. (spreektaal) weigering, afwijzing, blauwtje
    «J’t’ai raconté le vent avec Sacha?»
    Heb ik je al verteld van mijn blauwtje bij Sacha? [1]
Antoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • [1] Qui sème le vent, récolte la tempête.
    Wie wind zaait, zal storm oogsten.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1] bon vent
    goede reis
  • [1] coup de vent
    rukwind
  • [1] rafale de vent
    rukwind
  • [1] force du vent
    windkracht
  • [1] vitesse du vent
    windsnelheid
  • [1] vent debout
    tegenwind
  • [1] vent arrière
    wind mee

Verwijzingen