mec

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Voor het eerst aangetroffen in 1848 met de betekenis ‘iemand, individu', en in 1870 'souteneur'
  • Verkorte vorm van maquereau 'pooier', in de volkse tongval van Parijs uitgesproken als \mɛk.ʁo\ [1]

Zelfstandig naamwoord

mec m

  1. (spreektaal) vent, man, kerel
    «Il a du toupet, c’mec
    Die gozer heeft wél lef zeg.
    «Dommage qu'en boîte il y ait quatre fois plus de mecs que de gonzesses.»
    Jammer dat er in de disco vier keer meer kerels dan wijven zijn. [2]
  2. (spreektaal) vaste vriend, man (echtgenoot)
    «Sabine nous a présenté son mec
    Sabine heeft ons haar vriend voorgesteld. [2]

Verwijzingen