thuis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • thuis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord thuis -
verkleinwoord thuisje thuisjes

Zelfstandig naamwoord

thuis o

  1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
    • Hier vindt zelfs deze zeldzame vlinder een thuis. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Oost west, thuis best.

  • waar je ook bent, thuis voel je je beter op je gemak

Thuis is in je schuur.

  • dit wordt gezegd als je weinig thuis bent

Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.

  • waar je ook bent, thuis voel je je beter op je gemak
Vertalingen

Bijwoord

thuis

  1. op de eigen stek
    • Hij was thuis. 
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie