casa

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Catalaans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse casa.
enkelvoud meervoud
casa cases

Zelfstandig naamwoord

casa v

  1. huis
    «Ell té dues cases
    Hij heeft twee huizen.


Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·sa
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse casa.
enkelvoud meervoud
casa case

Zelfstandig naamwoord

casa v

  1. huis
    «La loro nuova casa ha tre bagni.»
    Hun nieuwe huis heeft drie badkamers.
  2. thuis


Latijn

Zelfstandig naamwoord

căsa v

  1. hut, krot
  2. klein landhuisje
Verbuiging
Spreekwoorden
  • Ita fugias, ne praeter casam.
    • Als je op de vlucht slaat, denk dan eerst eens aan de veiligste plek; loop niet van de wal in de sloot.
    • (letterlijk: Zo je vluchten wil, ga dan niet voorbij je huis.)
Overerving en ontlening


Portugees

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse casa.
enkelvoud meervoud
casa casas

Zelfstandig naamwoord

casa v

  1. huis
    «Eles acabaram de comprar a primeira casa.»
    Ze hebben zojuist hun eerste huis gekocht.


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·sa
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse casa.
enkelvoud meervoud
casa casas

Zelfstandig naamwoord

casa v

  1. huis, woning
  2. thuis
    «Nos quedamos en casa
    We bleven thuis.
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
casar

casa

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van casar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van casar
vervoeging van
casarse

casa

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van casarse

Meer informatie

Verwijzingen