thuiskomen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • thuis·ko·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
thuiskomen
kwam thuis
thuisgekomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

thuiskomen

  1. ergatief terugkeren in de eigen woning
    • Hij was nog maar net thuisgekomen toen hij het nieuws hoorde. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen