thuishulp

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • thuis·hulp
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord thuishulp thuishulpen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

thuishulp v/m

  1. de zorg voor hulpbehoevenden op het gebied van dagelijkse verzorging en/ of huishoudelijk werk
    • De thuishulp is goed geregeld in Nederland maar kan natuurlijk altijd beter. 
  2. iemand die hulpbehoevenden helpt op het gebied van dagelijkse verzorging en/of huishoudelijk werk
    • De thuishulp was heel vriendelijk voor de oude dame. 
    • „De chauffeur heeft mij tot in het gebouw gebracht. Ik had in de auto ook leuke gesprekken met hem, over zijn vrouw en over andere dagelijkse dingen. Bij het koor zingt ook mijn dochter Mirjam. Ik had die ochtend geen sokken aangekregen, ik had de thuishulp afgebeld. Mirjam heeft dus bij het koor mijn sokken aangetrokken. Je moet inventief en geduldig zijn op deze leeftijd.” [1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Ilvy Njiokiktjien 25 januari 2017