thuisfront

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • thuis·front
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord thuisfront thuisfronten
verkleinwoord thuisfrontje thuisfrontjes

Zelfstandig naamwoord

thuisfront o

  1. familie en bekenden van een persoon die uitgezonden is naar een oorlogsgebied
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie