tata

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

tata v

  1. (spreektaal) tante
    «Tata Margot est serveuse dans cette boîte.»
    Tante Margot is serveerster in die tent. [1]
  2. (spreektaal) flikker, nicht [1]

Verwijzingen


Indonesisch

Woordafbreking
  • ta·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Sanskriet तथा (tathā; "zo, op die manier"). In combinatie met andere naamwoorden vormt tata dikwijls abstracta (bijv. tata kalimat "zinsbouw").

Zelfstandig naamwoord

tata

  1. ordening, orde, patroon, systeem
Uitdrukkingen en gezegden
  1. «Negara mawa tata, desa mawa cara.»
    De staat is de plaats voor orde, het dorp de plaats voor zede.


Kituba

Zelfstandig naamwoord

tata m

  1. vader


Nedersorbisch

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *tata

Zelfstandig naamwoord

tata

  1. (familie) papa, vader
Synoniemen


Pools

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *tata

Zelfstandig naamwoord

tata mbezield

  1. (familie) papa, vader
Schrijfwijzen
Synoniemen
Antoniemen

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

tata

  1. genitief enkelvoud van tato
  2. accusatief enkelvoud van tato


Sloveens

Zelfstandig naamwoord

tata m

  1. vader


Slowaaks

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *tata

Zelfstandig naamwoord

tata mbezield

  1. (familie) papa, vader
Schrijfwijzen
Synoniemen

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *tata

Zelfstandig naamwoord

tata mbezield

  1. (familie)(dialect) papa, vader
Verbuiging
Schrijfwijzen
Synoniemen
Antoniemen
Hyperoniemen

Meer informatie

Bijwoord

tata

  1. (spreektaal) meteen, direct
Synoniemen

Verwijzingen


West-Vlaams

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·ta

Tussenwerpsel

tata

  1. tot ziens, dag, doei
Synoniemen