stom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stom
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘niet kunnende spreken, dom’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen stom stommer stomst
verbogen stomme stommere stomste
partitief stoms stommers -

Bijvoeglijk naamwoord

stom

  1. geluidloos
    • Een stomme film. 
  2. niet in staat te spreken
    • Het maakte hem stom van verbazing. 
  3. weinig intelligent
    • Tja, dat was stom van me, natuurlijk. 
  4. (informeel) ergerlijk, vervelend, irritant
    • Wat een stom gedoe! 
  5. (informeel) saai
    • Ik moet een stomme opdracht maken. 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen