Naar inhoud springen

schaapachtig

Uit WikiWoordenboek
  • schaap·ach·tig
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen schaapachtigschaapachtigerschaapachtigst
verbogen schaapachtigeschaapachtigereschaapachtigste
partitief schaapachtigsschaapachtigers-

schaapachtig

  1. letterlijk: op een schaap gelijkend
    • Deze diersoort is eerder schaapachtig dan geitachtig te noemen. 
  2. overdrachtelijk op naïeve wijze verrast, niet-begrijpend
    • Er kwam alleen een wat schaapachtige reactie uit de overrompelde man. 
    • Touringcars zijn in Amsterdam een bron van irritatie: logge obstakels in het smalle stratenplan van de stad, vies voor de lucht en als ze eenmaal stilstaan, staat er niet zelden een schaapachtig kijkende kudde toeristen inclusief koffers op trottoir of fietspad. [1] 

schaapachtig

  1. op naïeve wijze
    • "Is dat echt waar?" vroeg hij schaapachtig. 
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[2]