beet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beet
Woordherkomst en -opbouw
[1, 2, 3] enkelvoud meervoud
naamwoord beet beten
verkleinwoord beetje beetjes
[4, 5, 6] enkelvoud meervoud
naamwoord beet beets
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

beet

  1. m een samenklemming tussen de kaken
    • De beet van een dolle hond is een ernstige zaak. 
  2. m een steek door de monddelen van een kaakloos wezen, zoals een insect
    • De huilende baby zat onder de beten, want er was een mug in de kamer. 
  3. v/m (plantkunde) biet
  4. v/m (Jiddisch-Hebreeuws) tweede letter van het alfabet
  5. v/m (Jiddisch-Hebreeuws) getal twee
  6. v/m (Jiddisch-Hebreeuws) huis (als deel van woordcombinaties)
  7. dat wat je met één keer bijten kunt eten, hap
    • Ik neem een beet van de koek. 
Schrijfwijzen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Bijwoord

beet

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: te pakken, vast
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
bijten

beet

  1. enkelvoud verleden tijd van bijten
    • Ik beet. 
    • Jij beet. 
    • Hij, zij, het beet. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen