doodsteek
Uiterlijk
- dood·steek
- samenstelling van dood en steek [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | doodsteek | doodsteken |
| verkleinwoord |
de doodsteek m
- steek met een scherp werktuig die de dood ten gevolge heeft
- (figuurlijk) een handeling waarmee men iemand heel erg kwetst, een nekslag
- Het bedrog van de ontrouwe echtgenoot werd door de vrouw als een doodsteek ervaren.
| vervoeging van |
|---|
| doodsteken |
doodsteek
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doodsteken
- ... dat ik doodsteek.
- Het woord doodsteek staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "doodsteek" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ doodsteek op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Figuurlijk in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 97 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %