Naar inhoud springen

insteek

Uit WikiWoordenboek
  • in·steek
enkelvoud meervoud
naamwoord insteek insteken
verkleinwoord insteekje insteekjes

deinsteekm

  1. handeling van het insteken
    • De insteek van de naald is wat lastig als de huid verdikt is. 
  2. inbreng, benadering, wat men wil bereiken, wat men te berde brengt
    • De insteek is nadrukkelijk meer ruimte te scheppen voor de eigen visies en missies van zuidelijke partners bij hun eigen capaciteitsopbouw. 
  3. (medisch) (horeca) voorraad linnengoed die een instelling in huis heeft
     Bij ons beschikt u altijd over voldoende linnen, ook tijdens de feestdagen of andere drukke momenten. (…) Daarom hebben wij een systeem ontwikkeld waarbij we een hoge insteek van linnen combineren met een zeer efficiënte logistiek.[4]
  4. (bouwkunde) voor een deel ingestoken tussenverdieping in een eenlaags huis met zeer hoge begane grond.
     Een overgangsvorm naar het meerlaags huis is het huis met een insteek.[5]
vervoeging van
insteken

insteek

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van insteken
    • ... dat ik insteek. 
98 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[6]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. insteek op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 10 maart 2026 Door archive.org gearchiveerde versie van 4 maart 2016 “insteek”, ThiemeMeulenhoff op Wikipedia op ikzorgerwelvoor.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 10 maart 2026 Weblink bron Gearchiveerde versie “Vlekkeloze dienstverlening” op nedlin.com
  5. Bronlink geraadpleegd op 10 maart 2026 Weblink bron Gearchiveerde versie
    Marceline Dolfin e.a.
    “Utrecht. De huizen binnen de singels.” (1989), SDU uitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist, p. 59
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be