prik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prik
enkelvoud meervoud
naamwoord prik prikken
verkleinwoord prikje prikjes

Zelfstandig naamwoord

prik v/m

  1. doorboring van een vlies (meestal de huid) met een scherp (meest naaldvormig) voorwerp
    • Au! Die doren gaf me een akelige prik! 
  2. injectie
    • Hij heeft nog geen prik gehad voor die ziekte. 
  3. de prikkelende actie van opborrelend koolzuurgas in een limonade
    • Wil je limonade met of zonder prik? 
  4. een primitief langgerekt visachtig dier van de familie der Petromyzontidae op Wikispecies, ongewerveld maar wel behorend tot de Chordaten
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
prikken

prik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prikken
    • Ik prik. 
  2. gebiedende wijs van prikken
    • Prik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prikken
    • Prik je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Deens

Uitspraak
  • IPA: /pʰʁ̥æɡ̊/
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Middelnederduitse pricke (prik).

Zelfstandig naamwoord

prik

  1. o; prik (gevoel bij doorboring van de huid; het doorboren van de huid).
  2. g; puntje, vlekje.