effen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ef·fen
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen effen effener effenst
verbogen
partitief effens effeners -

Bijvoeglijk naamwoord

effen [2]

  1. glad van oppervlak
  2. gelijk van kleur
  3. zonder het uiten van gevoelens
    Met een effen gelaat vertelde de man de grootste leugens.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
effenen

effen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van effenen
    Ik effen.
  2. gebiedende wijs van effenen
    Effen!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van effenen
    Effen je?
Gangbaarheid
96 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal