ruis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ruis ruizen
verkleinwoord ruisje ruisjes

Zelfstandig naamwoord

ruis m

  1. een structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
    • De zender is uitgevallen en nu hoor je alleen maar ruis. 
  2. (vissen) Scardinius erythrophthalmus op Wikispecies ruisvoorn, rietvoorn
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ruisen

ruis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruisen
    • Ik ruis. 
  2. gebiedende wijs van ruisen
    • Ruis! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruisen
    • Ruis je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen