ruis
Uiterlijk
- ruis
- zn [1], ww: naamwoord van handeling van ruisen ww , verwant met roes [1]
- zn [2]: herkomst onzeker, mogelijk een (verkorting) van ruisvoorn of direct afgeleid uit een oud woord voor riet [2] [3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ruis | ruizen |
| verkleinwoord | ruisje | ruisjes |
de ruis m
- structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
- De zender is uitgevallen en nu hoor je alleen maar ruis.
- (straalvinnigen) bepaald soort zoetwatervis, Scardinius erythrophthalmus

- [1] ruis op de lijn(figuurlijk) verkeerd overkomen van een boodschap
| vervoeging van |
|---|
| ruisen |
ruis
- Het woord ruis staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "ruis" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Verkorting in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Straalvinnigen in het Nederlands
- Vissen in het Nederlands
- Figuurlijk in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 97 %