gebaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·baar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gebaar gebaren
verkleinwoord gebaartje gebaartjes

Zelfstandig naamwoord

gebaar o

  1. (communicatie) een beweging waarmee men iets wil zeggen
  2. (communicatie) een handeling waarmee men iets wil uitdrukken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gebaren

gebaar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebaren
    • Ik gebaar. 
  2. gebiedende wijs van gebaren
    • Gebaar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebaren
    • Gebaar je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie