gebaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·baar
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘beweging van het lichaam’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1]
  • Afgeleid van gebaren
enkelvoud meervoud
naamwoord gebaar gebaren
verkleinwoord gebaartje gebaartjes

Zelfstandig naamwoord

gebaar o

  1. (communicatie) een beweging waarmee men iets wil zeggen
     Van lieverlede werd hij echter beschouwd als de 'vriend der kinderen'. In Nederland leest men over het St. Nicolaasfeest voor het eerst in het jaar 1360. De koorknaapjes in Dordrecht kregen er vrij voor. In optocht trokken zij door de stad en bedelden, met een smekend gebaar, hun bisschopsgeld bij elkaar. Maar in de zeventiende eeuw werd dit verboden![2]
  2. (communicatie) een handeling waarmee men iets wil uitdrukken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gebaren

gebaar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebaren
    • Ik gebaar. 
  2. gebiedende wijs van gebaren
    • Gebaar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebaren
    • Gebaar je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen