bereik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·reik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bereik -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bereik o

  1. de afstand die afgelegd kan worden, de invloed die uitgeoefend kan worden
    • Wat is het bereik van je nieuwe auto? 
    • Het bereik van deze krant is heel groot 
  2. beschikbaar zijn van een bruikbaar wifi- of gsm-signaal
     Hier in de uitgestrekte woestijn was er weinig tot geen internetverbinding, maar zodra ik een hoge bergpas overliep checkte ik altijd even of er daar misschien wél bereik was doordat er een stad in de verte lag.[2]
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bereiken

bereik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bereiken
    • Ik bereik. 
  2. gebiedende wijs van bereiken
    • Bereik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bereiken
    • Bereik je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. bereik op website: Etymologiebank.nl
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be