bereik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·reik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bereik -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bereik o

  1. de afstand die afgelegd kan worden, de invloed die uitgeoefend kan worden
    Wat is het bereik van je nieuwe auto?
    Het bereik van deze krant is heel groot
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • geen bereik hebben
buiten het bereik van een (gsm-)zender zijn
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bereiken

bereik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bereiken
    Ik bereik.
  2. gebiedende wijs van bereiken
    Bereik!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bereiken
    Bereik je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl