privé

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pri·vé
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen privé privéer privést
verbogen privéere privéste
partitief privés privéers -

Bijvoeglijk naamwoord

privé

  1. alleen predicatief: voor persoonlijk gebruik gereserveerd
    • Deze toegang tot het meer is privé. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Frans

  enkelvoud meervoud
  mannelijk   privé privés
  vrouwelijk   privée privées

Bijvoeglijk naamwoord

privé

  1. privé
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  privé     le privé     privés     les privés  

Zelfstandig naamwoord

privé

  1. privédetective