Naar inhoud springen

privé

Uit WikiWoordenboek
  • pri·vé
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen privéprivéërprivést
verbogen privéëreprivéste
partitief privésprivéërs-
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘particulier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1512 [1]

privé

  1. alleen predicatief: voor persoonlijk gebruik gereserveerd
    • Deze toegang tot het meer is privé. 
     Zijn dagboeken zijn dan ook niet zo privé als je zou willen denken, ze zijn eerder een oefenveld waarin Kierkegaard allerlei rollen en standpunten uitprobeerde.[2]
     Het was niet gebruikelijk dat werkgevers en werknemers ook privé met elkaar omgingen, maar mijn nieuwsgierigheid won het van mijn eventuele bedenkingen.[3]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   privé privés
  vrouwelijk   privée privées

privé

  1. privé
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  privé     le privé     privés     les privés  

privé

  1. privédetective