privézaak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pri·vé·zaak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord privézaak privézaken
verkleinwoord privézaakje privézaakjes

Zelfstandig naamwoord

privézaak v/m

  1. heel persoonlijke dingen die je liever niet aan iedereen bekend maakt en waar eigenlijk ook niemand wat mee te maken heeft
    • De zoon was een eind-twintiger met lage broek en hipsterbaardje. „De mobiel lag in stukken op straat”, zei hij, „maar ik dacht dit moeten we teruggeven, want er kunnen foto’s en andere privézaken op staan.” [1] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. NRC Auke Kok 27 januari 2017
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be