gemeenschappelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·meen·schap·pe·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gemeenschappelijk gemeenschappelijker gemeenschappelijkst
verbogen gemeenschappelijke gemeenschappelijkere gemeenschappelijkste
partitief gemeenschappelijks gemeenschappelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

gemeenschappelijk

  1. waar alle leden van een gemeenschap gebruik van kunnen maken
    • Dit zijn de gemeenschappelijke douches. 
  2. waar alle leden van een gemeenschap aan meedoen
    • Dit is een gemeenschappelijk project. 
  3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
    • Dat is een gemeenschappelijke vriend van hun. 
    • Dat is de gemeenschappelijke grens van Duitsland en Frankrijk. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl