privéhuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pri·vé·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord privéhuis privéhuizen
verkleinwoord privéhuisje privéhuisjes

Zelfstandig naamwoord

privéhuis o

  1. een huis waar prostituees werken
    • Met echtgenoot Fons runt ze al bijna 30 jaar de antiek- en brocantewinkel op de kop van de straat, tegenover de leegstaande Club Romance. Ook die bloeit op: binnenkort heropent de zaak als Privéhuis Sandra. [1] 
    • Sinds de opheffing van het bordeelverbod in 2000 is prostitutie legaal, maar wel vergunningsplichtig. Sekswerkers die werken buiten het vergunde circuit lopen aanzienlijk meer risico op geweld. Massagesalons en hotelkamers zijn het onveiligst. Werken in een privéhuis of achter het raam is juist veiliger. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen