publiek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pu·bliek
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘openbaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1548 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord publiek publieken
verkleinwoord publiekje publiekjes

Zelfstandig naamwoord

publiek o

  1. een groep toeschouwers
    • Het publiek komt niet meer bij van het lachen. 
    • Nederland won uiteindelijk toch door een daverende score bij de tv-kijkers thuis. Van het publiek kreeg hij 261 punten, waarmee hij tweede werd achter Noorwegen. [2] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen publiek publieker publiekst
verbogen publieke publiekere publiekste
partitief publieks publiekers -

Bijvoeglijk naamwoord

publiek

  1. vrij toegangelijk, openbaar
  2. wat het publiek aangaat
    • Het is een publiek geheim dat ... 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De publieke omroep.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen