publiek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pu·bliek
enkelvoud meervoud
naamwoord publiek publieken
verkleinwoord publiekje publiekjes

Zelfstandig naamwoord

publiek o

  1. een groep toeschouwers
    Het publiek komt niet meer bij van het lachen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen publiek publieker publiekst
verbogen publieke publiekere publiekste
partitief publieks publiekers -

Bijvoeglijk naamwoord

publiek

  1. vrij toegangelijk, openbaar
  2. wat het publiek aangaat
    Het is een publiek geheim dat ...
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De publieke omroep.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.