partner

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • part·ner
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘deelgenoot’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • Leenwoord uit het Engels.
enkelvoud meervoud
naamwoord partner partners
verkleinwoord partnertje partnertjes

Zelfstandig naamwoord

partner m

  1. iemand met wie men al dan niet gehuwd een relatie heeft
    • Komt uw partner ook mee? 
  2. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
    • Zijn partners waren niet bereid nog meer geld in de zaak te steken. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen