metgezel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • met·ge·zel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord metgezel metgezellen
verkleinwoord metgezelletje metgezelletjes

Zelfstandig naamwoord

metgezel m

  1. iemand die meegaat op een reis of activiteit
    • Zijn metgezel wist hem voor een ongeluk te behoeden. 
    • Maar in elk geval krijg je mij als metgezel mee op je verdere tocht. Je kunt mij nodig hebben. [3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. etymologiebank.nl
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 70