zakenpartner

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·ken·part·ner
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zakenpartner zakenpartners
verkleinwoord zakenpartnertje zakenpartnertjes

Zelfstandig naamwoord

zakenpartner m

  1. iemand met wie men gezamenlijk zaken onderneemt
    • Hij is mijn zakenpartner. 
Synoniemen
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.