sparringpartner

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spar·ring·part·ner
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sparringpartner sparringpartners
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

sparringpartner m

  1. (sport) oefenpartner voor boksers, judoka's enz
  2. iemand om mee te overleggen, om ideeën, standpunten op uit te proberen, om mee te oefenen voor een debat

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen