pakken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: packen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pak·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pakken
/'pɑkə(n)/
pakte
/'pɑktə/
gepakt
/ɣə'pɑkt/
zwak -t volledig

Werkwoord

pakken

  1. overgankelijk in de handen nemen
    • Hij pakte zijn gitaar en speelde een deuntje. 
  2. overgankelijk gevangen nemen
    • De dief werd al snel gepakt. 
  3. te pakken krijgen: contact met iemand kunnen maken
    • Ik zal even kijken of ik hem te pakken kan krijgen 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

pakken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pak

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Deens

Woordafbreking
  • pak·ken

Zelfstandig naamwoord

pakken, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van pakke


Noors

Woordafbreking
  • pak·ken
Naar frequentie 3822

Zelfstandig naamwoord

pakken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van pakke
Schrijfwijzen


Nynorsk

Woordafbreking
  • pak·ken

Zelfstandig naamwoord

pakken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van pakke
Schrijfwijzen