loslaten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • los·la·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
loslaten
liet los
losgelaten
klasse 7 volledig

Werkwoord

loslaten

  1. overgankelijk niet langer vasthouden
    • Hij liet haar niet los. 
     Toen was het mijn beurt en ik bond een steen aan een lang stuk touw, hield de grote lussen in mijn linkerhand, gaf een harde slinger en liet los.[1]
  2. niet meer in bedwang houden
    • Die mensen zou ik graag in de zaal hebben, op hen zou ik mijn acteurs maar wat graag loslaten; een publiek dat helemaal niets verwacht behalve dan dat ze twee uur kwijt zijn die ze van hun leven niet meer zullen terugkrijgen. [2] 
  3. niet langer ergens emotioneel bij betrokken zijn
     Wij vonden 25 kilometer per dag al prima, terwijl jullie nu ruim 40 kilometer per dag doorjakkeren. Neem toch de tijd, zoiets maak je maar een keer in je leven mee. Het heeft me nooit losgelaten na al die jaren.’[1]
     Aangezien ik voornamelijk over de toekomst nadenk en constant met nieuwe plannen in mijn hoofd rondloop, moest ik opnieuw leren genieten van het hier en nu en mijn gevoel voor tijd totaal loslaten.[1]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 1,2 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Harstad, Johan Max, Mischa & Het Tet-offensief 2017 ISBN 9789057598494 pagina 15
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be