loslaten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • los·la·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
loslaten
liet los
losgelaten
klasse 7 volledig

Werkwoord

loslaten

  1. overgankelijk niet langer vasthouden of inperken
    • Hij liet haar niet los. 
    • Die mensen zou ik graag in de zaal hebben, op hen zou ik mijn acteurs maar wat graag loslaten; een publiek dat helemaal niets verwacht behalve dan dat ze twee uur kwijt zijn die ze van hun leven niet meer zullen terugkrijgen. [1] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Harstad, Johan Max, Mischa & Het Tet-offensief 2017 ISBN 9789057598494 pagina 15