bepakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·pak·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bepakken
bepakte
bepakt
zwak -t volledig

Werkwoord

bepakken

  1. overgankelijk een mens of lastdieren met goederen beladen
    • De lama's waren bepakt met allerlei goederen. 
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Bepakt en bezakt zijn
met veel bagage of zo veel als iemand maar kan meenemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.