uitpakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·pak·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitpakken
pakte uit
uitgepakt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitpakken

  1. overgankelijk uit een verpakking halen
    • Op deze foto zie je Kim op haar eerste verjaardag haar eerste cadeautje uitpakken, met een beetje hulp natuurlijk. 
  2. overgankelijk leeg maken van een verpakking
    • De magazijnmedewerker pakte een doos met tomatensoep uit. 
     Maar door de telefoon had ze gezegd dat de verhuizing goed was gegaan. Ze was al begonnen met het uitpakken van de dozen.[1]
  3. ergatief een bepaalde uitkomst krijgen
    • Dat is beter uitgepakt dan hij verwacht had. 
Antoniemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • (in België) met iets uitpakken
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 22