uitpakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·pak·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitpakken
pakte uit
uitgepakt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitpakken

  1. overgankelijk uit een verpakking halen
    • Op deze foto zie je Kim op haar eerste verjaardag haar eerste cadeautje uitpakken, met een beetje hulp natuurlijk. 
  2. overgankelijk uit een omhulsel halen
    • De magazijnmedewerker pakte een doos met tomatensoep uit. 
  3. ergatief een bepaalde uitkomst krijgen
    • Dat is beter uitgepakt dan hij verwacht had. 
Antoniemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • (in België) met iets uitpakken
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.